De lucht is somber en hangt laag
In Schaerbeek plasregent het weer vandaag,
Terwijl in de klassieke kano
Gij minziek wiegt op 't water van Lugano.
Ik voel mij tot op mijn geraamte koud
Ontgoocheld en voortijdig oud
En ik ben moe van heimwee naar het zuiden
(O dronkenschap, o bruine huiden!):
Geen loonschriftuur meer voor de krant,
De zon laat iedereen de vrije hand;
En eindlijk zonder plicht en zorgen
Zijn wij ontslagen van de vrees voor morgen.
Aanvaard dit boek gelijk het eenmaal is:
Kleinmoedig klagende om gemis;
Met mijn gering vertrouwen in het leven
Valt er helaas niet veel te geven,
En mijn fidutie in de dood
Is, zeer onchristelijk, nog minder groot,
Zoodat ik u niets kan beloven
Van aardsch plezier of zielsvermaak hierbóven.
Ik schrijf dus, zonder weet van goed of slecht,
Over détails; maar wel oprecht:
Een bries die over zee waait uit het noorden
Geeft die aluinsmaak aan de woorden.
'k Verzoek de zee, 'k verzoek geen aarde en hare vruchten
dan als het donker zwerk vol donderend geruchten.
'k Verzoek geen ongeziene ruimte, noch den tijd
dan, verre en vroom, gelijk een vrage in eeuwigheid.
Maar 'k weet: ik schater aan de zee; ik ben de zegen
der plassende akkers aan den daver van den regen.
'k Ben naauwelijks de blik die wemelt en die gaat;
maar ziet: ik draag den droom van allen op 't gelaat
Op de palm van jouw hand, in dat landschap
van gevormde levenslijnen, niet groter
dan een flinke waterdruppel
-terwijl zonsondergang de hele
hemel boven de eindstreep van het eiland
ginds in Turner-kleuren zet-
die babykrab, voorzichtig
van tussen de basaltblokken geraapt,
z'n onderkomen waar hij wachtte op de vloed.
Nog kleiner dan de nagel van jouw pink,
z'n grijsblauw pantsertje nog niet verkalkt,
krabbelt hij zijwaarts over plooi en heuvel,
een onbekende wereld, verontrust
dat bodem warmte geeft.
Dan, op de rand van dat heelal,
laat hij zich zonder aarzeling terugvallen in
de veiligheid van spleten, zeezand, steen,
met achterlating van een beeld, van
haast een naam.
Nu is het of wij, samen onder aan de dijk
worden gezien, terwijl het water stijgt
en in doorschijning spiegelt hoe de hemel kleurt.
De zee is moeilijk benoembaar
Maar laat zich gewillig beschrijven
Als een afwisselend gekleurde
Dansende lei
Daarin is het schip haast een dichter:
De zeezieke koers blijkt een kaarsrechte regel
Dankzij het raadsel des radars
Aldus het schip maakt de zee
Enigermate voorstelbaar
Waar het schip zoëven geweest is
Blijft de onnoembare leeft
Het schip maakt de ze
Zwevend op winden waait de zee door 't duin,
En 't zout blijft achter in 't diep-koele zand;
Geen bloemengloed, geen groen van sapp'ge plant
Kleurt 't bleke egaal van vér-zichtbare kruin;
Maar 't water, neerfilt'rend, doet, tuin naast tuin,
Laaien van tulpenrood 't wijdvlammend land,
En ruist als bossen op, tot waar de rand
Vaal is door helm en ziek'lijk struikenbruin:
Stormend door open mensenleven, laat
De Godheid bloemloos 't oppervlak, waar 't zaad
Van blijdschap sterft, door lang verdriet geschroeid;
Tot ondergrondse zuiverheid vervloeid,
Herrijst Ze als 't rijk van schijn en rijm en maat,
Waar 't Denken tulpt en lovert, ruist en gloeit.
Het speelt het liefste ver weg op het strand,
het kind dat nooit zijn eigen vader ziet,
die overzee is in dat andere land.
Het woont bij vreemden en het went er niet.
Zij fluisteren erover met elkaar.
Heimwee huist in zijn kleren en zijn haar.
En altijd denkt het dat hij komen zal:
Vandaag niet meer; maar morgen, onverwacht -
en droomt van hem en roept hem in de nacht.
Ik wacht u, Vader van de overwal.
De gestorvene
Zeven maal om de aarde gaan,
als het zou moeten op handen en voeten;
zevenmaal om die ene te groeten
die daar lachend te wachten zou staan.
Zeven maal om de aarde gaan
Zeven maal over de zeeen te gaan,
schraal in de kleren, wat zou het mij deren,
kon uit de dood ik die ene doen keren.
Zeven maal over de zeeen gaan -
zeven maal om met z'n tweeen te staan
Hij zit en kijkt
Hij zit en kijkt, doezelig. Het water wast.
Vlak bij in 't zand, al nat, driedubb'le ringen.
In 't midden is een berg: de golven dringen
tegen de wal: ja, juist; een vesting was 't.
't Is aan 't verbrokk'len al, want telkens plast
een golf iets glad en stroomt door openingen;
en nauwlijks houden half zichtbare dingen,
een vlaggetje, een schopsteel, de resten vast.
Daar komt een hoge golf: zal 't hem gelukken,
die ene dunne wand omver te drukken?
Hij spoelt een gracht in, door die gleuven.- Nee,
hij staat nog recht. Kijk: dat papieren schuitje
raakt haast - toe! nog iets verder! - aan dat kluitje.
Iets schrikt hem op. Hij ziet de grote zee.
J.A. der Mouw
Meer nederlandse en Vlaamse zeegedichten zijn te vinden op zeegedichten :
`Ik ben geboren uit zonnegloren
En een zucht van de ziedende zee,
Die omhoog is gestegen, op wieken van regen,
Gezwollen van wanhoop en wee.
Mijn gewaad is doorweven met parels, die beven
Als dauw aan de roos, die ontlook,
Wen de Dagbruid zich baadt en voor 't schuchter gelaat
Een waaier van vlammen ontplook. -
Met ranen in 't oog, uit de diepte omhoog,
Buig ik ten kus naar beneden:
Mijn lichtende haren befloersen de baren
En mijn tranen lachen tevreden:
Want diep in zee splijt de bedding in twee,
Als mijn kus de golven doet gloren...
En de aarde is gekloofd en het lokkige hoofd
Van Zefier doemt lachend naar voren.
Hij lacht... en zijn zucht blaast, mij arme, in de lucht
En een boog van tintlende kleuren
Is mijn spoor, als ik wijk naar het dromerig rijk,
Waar ik eenzaam om Zefier kan treuren.
Hij mint me als ik hém... maar zijn lach, zijn stem,
Zijn kus... is een zucht: wij zwerven
Omhoog, omlaag; wij wíllen gestaâg,
Maar wij kunnen nóch kussen, nóch sterven. -
De sterveling ziet mijn aanschijn niet,
Als ik uitschrei, hoog boven de wolken,
En de regenvlagen met ritselend klagen
Mijn onsterflijken weedom vertolken.
Dan drenkt mijn smart het dorstende hart
Van de bloem, die smacht naar mijn leed
En met dankenden blik naar mij opziet, als ik
Van weedom het wenen vergeet.
En dán verschijn ik door het 't nevelgordijn -
Dat mijn Zefier verscheurt, als hij vliegt -
Somber gekromd... tot de zonneschijn komt
En 't rag mijner wieken zich wiegt.
Dán zegt op aarde, wie mij ontwaarde:
"De goudene Iris lacht!"...
En stil oversprei ik vale vallei
Met een gloed van zonnig smaragd. -
Mijn handen rusten op de uiterste kusten
Der aarde als, in roerloos peinzen, -
Eén' bonte gedachte - ik mijn liefde verwachtte...
Die mij achter de zon zal doen deinzen. -
'k Zie 's nachts door mijn armen de sterren zwermen
En het donzige wolkengewemel
En de maan, die mij haat en zich koestert en baadt
In de zilveren lach van den hemel. -
Mijn pauwepronk... is de dod, dien mij schonk
De zon, om de stervling te sparen,
Wien mijn lichtloze blik zou bleken van schrik
En mijn droeve gestalte vervaren.
Nu omspan ik den trans met mijne armen van glans
Tot mij lokt Zefier's wapprend gewaad
En ik henenduister naar 't oord, waar de luister
Der lonkende zon mij verlaat. -
Ik ben geboren uit zonnegloren
En een vochtige zucht van de zee,
Die omhoog is gestegen, op wieken van regen,
Gezwollen van 't wereldse wee. -
Mij is gemeenzaam, wie even eenzaam
Het leven verlangende slijt
En die intranen zijn Vreugde zag tanen...
Doch liefelijk lacht, als hij lijdt!'
Als ik loop langs het strand
moet ik altijd dicht bij de zee zijn
ik loop dan heel aan het randje
en zij streelt mijn voeten
zij betast ze, of ze mijn blinde moeder is
de zee was groot
ze was vol witte koppen vanmorgen
want het waaide hard
overal danste het schuim
de golven waren boos en trots
ze sprongen als valse wolven
en toonden hun witte tanden
maar ik was rustig en stond hoog in de wind
ik stond als een oude koning
als ik zie over zee ben ik sterk en machtig
en mijn tanden staan vast op elkaar
het arme schuim is bang en wit
en het ligt almaar te bibberen aan het strand
daar heeft de zee het gebracht
nu kan het niet verder en ligt te sterven
het wil altijd nog hoger het strand op
daar zou het gauwer sterven
Wanneer de Vorst des lichts slaet aen de gulden tóómen
Sijn handt, en beurt om hooch aensienlijck wter Zee
Sijn wtgespreide pruick van levend goudt, waermee
Hij naere anxtvallicheit, en vaeck, en creple dróómen
Van 's menschen lichaem strijckt, en berch, en bos, en bóómen,
En steeden vollickrijck, en velden met het vee
Jn duisternis verdwaelt, ons levert op haer stee,
Verheucht hij, met den dach, het Aerdtrijck en de stroomen:
Maer d' andre starren als naeijvrich van sijn licht,
Begraeft hij, met sijn glans, in duisternissen dicht,
En van d' ontelbre schaer, mach 't niemand bij hem houwen.
Al eveneens, wanneer vw Geest de mijne roert,
Word jck gewaer dat ghij in 't haijlich aenschijn voert
Voor mij den dach, mijn Son, de nacht voor d' andre vrouwen.
Het water begon zich te schamen
voor wat het was en altijd gedaan had.
Namens iedereen kwam een vis aan land
om een regeling te treffen.
De vis rechtte zijn rug:
"Mensen: drie wensen."
Het strand was leeg, alleen de schelpen
hadden de vorm van mutsen met oren eronder.
Het uitgekookte dier moest zijn lachen inhouden.
Ik kan beloven wat ik wil, dacht het.
Dit kost me geen stuiver. De geschiedenis is ja nog niet begonnen.
Ik moest maar eens gaan teruglopen door de branding.
Of zal ik hier nog wat blijven? Droog ben ik nu toch.
Het is wel heerlijk, die zeewind.
Gefrontste ochtend, speldepuntenregenvlagen
door haar populier.Heen weer voor meisjes
om de was te willen bleken in de zee.
Geen hemel voor de man met zeewierhaar.
Maar s'middags wordt de hemel uitspansel
en Mondriaan, met pasgewassen witte wolken
linialend uit de zee.De populier geef mee,
en ook Penelope, wat zeggen wil: de koningin
betast haar frons die als een sluis
is dichtgedrukt door dromen vol kanalen
en zij laat vergeten stromen, schepen
met platte buiken schuiven door Penelope
en zij loopt tegenwinds en zingt het liedje
van verdubbeling, met de woorden zo op het oor
zonder zin , en toch, wie is nu koningin
kan nu horen, rekte delend in de strekking
met de zinnen mee, want de strekking is
als wolken welbekend: verdubbeling, zo zingt
Penelope, is dat de wolken in je hoofd
de zeilen van de hemel de hemel zijn en andersom
en dat de ruimte tussen de wolken wijder
wordt, en dus je hoofd steeds meer vlak,
een laken blauw gespannen tussen wat je wilt
en hoe het is, en hoe het is is dat iets mist,
Waar de blanke top der duinen schittert in den zonnegloed,
en de Noordzee vriend'lijk bruisend, Neerlands smalle kust begroet,
Juich ik aan het vlakke strand, Juich ik aan het vlakke strand:
'k Heb u lief, mijn Nederland,
‘k Heb u lief, mijn Nederland.
Waar het lachend groen der heuvels ‘t Kleed der stille heide oomzoomt,
Waar langs rijk beladen velden Rijn of Maas of Schelde stroomt,
Klinkt mijn lied op ouden trant, Klinkt mijn lied op ouden trant:
'k Heb u lief, mijn Nederland,
‘k Heb u lief, mijn Nederland.
Blijf gezegend, land der Vad’ren, Make u eendracht sterk en groot;
Blijve ‘t volk der Koninginne Houw en trouw in nood en dood!
Doe zoo ieder ‘t woord gestand, Doe zoo ieder ‘t woord gestand:
'k Heb u lief, mijn Nederland,
‘k Heb u lief, mijn Nederland.
P.Louwerse en Richard Hol
Recentere versie
Mijn Nederland
Waar de blanke top der duinen,
Schittert in de zonnegloed,
En de Noordzee vriend'lijk bruisend,
Neêrlands smalle kust begroet,
Juich ik aan het vlakke strand: (bis)
'k Heb u lief, mijn Nederland! (bis)
Waar het lachend groen der heuvels,
't Kleed der stille heide omzoomt,
Waar langs rijk beladen velden,
Rijn of Maas of Schelde stroomt,
Klinkt mijn lied op ouden trant: (bis)
'k Heb u lief, mijn Nederland! (bis)
Blijf gezegend, land der vaad'ren,
Make u eendrachtig sterk en groot,
Blijf toch verdraagzaam en vredig,
Houw en trouw in nood en dood!
Doe zo ieder 't woord gestand:
'k Heb u lief mijn Nederland!